Dit artikel verscheen in de verzaelaarsspecial van het tijdschrift Prospekt in 2008
 
De schoonheid van verboden kunst  
 
Vanaf de jaren zestig hebben westerse kunstverzamelaars belangstelling gehad voor Russische twintigste-eeuwse kunst. Deze kunst te verzamelen was niet gemakkelijk. Voor kunst die gewoon de grens over mocht, was in het Westen geen belangstelling, en voor de kunst die het graag wilde hebben, bestond een uitvoerverbod. Over westerse verzamelaars van Russische kunst.  
 
Dipart. Het heeft niks met dippen of depressies te maken, maar alles met diplomaten. Het was de term die begin jaren zestig werd gegeven aan de Russische onofficiële kunst die voornamelijk door westerlingen werd gekocht. Door diplomaten dus, maar ook door correspondenten en andere buitenlandse bezoekers die net wat verder keken dan de doorsnee toerist. Het klinkt een beetje denigrerend, dipart. Als toeristenkunst. Een leuk souvenir dat verder weinig met échte kunst van doen heeft. En dat aanvankelijk ook niet meer kostte dan een fles whisky of een spijkerbroek. Westerse musea en galeriehouders hadden er geen interesse voor, Russische musea móchten er geen interesse voor hebben.
 
Maar het interesseerde de KGB wél. Kunst en cultuur waren in de Sovjet-Unie het monopolie van de staat, dus kunst waar de staat geen zicht op had, kon niet bestaan. De interesse groeide nog meer toen de prijzen van deze dipart, deze onofficiële, non-conformistische of ondergrondse sovjetkunst, begonnen te stijgen. Dit resulteerde in een van die typische sovjet-spagaten: enerzijds werd het non-conformistische kunstenaars moeilijk gemaakt vrij te werken of te exposeren, anderzijds was het niet geheel onmogelijk hun kunst te bekijken, te kopen en te exporteren. Aan die export verdiende de staat weer, en ondertussen kreeg de kunst in eigen land niet te veel aandacht. De KGB kon en passant een oogje houden op de (buitenlandse) bezoekers van de verschillende ateliers.  
 
Non-conformisten
De eerste serieuze westerse verzamelaar van dipart was Norton Dodge (1927). Dodge studeerde Russisch in de Verenigde Staten en specialiseerde zich in de economie van de Sovjet-Unie. Bij zijn tweede bezoek aan dat land, in 1962, belandde hij in enkele ateliers, en als je in die jaren eenmaal een contact had volgde de rest bijna vanzelf.
 
Tussen 1962 en 1986 bezocht Dodge talloze kunstenaars, kocht tienduizend werken en wist deze naar de Verenigde Staten te krijgen. Hoe? ‘Gelukkig zorgden de behoefte aan dollars van de sovjets, gecombineerd met Elena’s [Dodge’s Russische assistente] kennis en doorzettingsvermogen, ervoor dat veel controversiële en ondergrondse werken toch geëxporteerd konden worden,’ schrijft Dodge zelf in zijn vuistdikke catalogus. Deze route, dat wil zeggen de juiste ambtenaren het juiste bedrag betalen, werd ook door andere verzamelaars en handelaars gebruikt. Men trad er verder niet over in details. Dodge maakte in die jaren ook wel gebruik van emigrerende Russen of verhuizende diplomaten die een schilderij in een tapijt konden rollen of een paar tekeningen onder in een koffer verstoppen, maar deze smokkelmethodes kwamen veel minder voor.
 
Een duidelijke voorkeur voor een bepaalde stroming binnen de non-conformistische school had Dodge niet. Hij kocht abstract expressionisme, mystiek-surrealisme, conceptuele kunst en ‘Sots-Art’. Na Moskou bezocht hij ook talloze ateliers in Leningrad en reisde naar de Baltische repubieken en de Kaukasus om daar non-conformisten te vinden. Als het maar liet zien ‘waartoe de kunst in staat was ondanks de vijandige sovjetomstandigheden’. Dit betekende dat als een kunstenaar naar het Westen emigreerde, Dodge diens werk niet meer kocht, hoe interessant of mooi het wellicht nog was. De oudste werken in Dodge’s collectie dateren van de jaren vijftig. Geen enkel werk is van na 1986, toen het verschil tussen officiële en onofficiële kunst verdween en er geen sprake meer was van ‘de vijandige sovjetomstandigheden’. De 20.000 schilderijen en objecten – Dodge kocht ook werk bij galeries in het Westen – zijn inmiddels ondergebracht in het ZAM, the Jane Voorhees Zimmerli Art Museum van de Rutgers State University in New Jersey.
 
Dodge wordt wel verweten niet zozeer kunst, als wel het verhaal erachter gekocht te hebben. Maar ondertussen bevat zijn collectie een aantal prachtige, vaak vroege, werken van inmiddels grote namen als Ilja Kabakov, Erik Boelatov of het duo Komar & Melamid. Dat die werken ook nog een achterliggend verhaal te vertellen hebben, is alleen maar mooi meegenomen.  
 
Avantgarde
In de sovjetjaren was het officieel onmogelijk om kunst van voor 1945 en van ‘museaal belang’ uit te voeren. Voor de kunst die destijds wél uitgevoerd mocht worden – socialistisch realistische werken van na 1945 – bestond in het Westen geen belangstelling. Er circuleerde hier wel oudere Russische kunst, met name uit collecties van Russische emigranten, maar veel was dat niet. Ondanks het uitvoerverbod zijn er in de jaren zeventig en tachtig echter ook duizenden werken van Ruslands historische avantgarde rechtstreeks uit de Sovjet-Unie in het Westen beland; wederom ingegeven door de behoefte aan westerse valuta.
 
Galerie Gmurzynska, destijds gevestigd in Keulen, maar tegenwoordig op diverse locaties in Zwitserland, had de beste contacten bij het sovjetministerie van Cultuur. Medewerkers van de galerie kochten werken bij nabestaanden van de kunstenaars door de hele Sovjet-Unie en betaalden er beslist niet de marktprijs voor. In Keulen werden vervolgens indrukwekkende tentoonstellingen georganiseerd, vergezeld van vaak prachtige catalogi. Gmurzynska had een aantal beroemde verzamelaars onder haar clientčle, zoals baron Thyssen Bornemisza (1921-2002) en Peter Ludwig (1925-1996). Laatstgenoemde voegde ook non-conformistische kunst aan zijn collectie toe en kocht in de jaren tachtig in één klap vijfhonderd Russische werken uit de meer behoudende school, maar Ludwig was wat zijn kunstaankopen betreft dan ook een omnivoor.  
 
Een van de beroemdste collecties van avantgarde kunst is die van George Costakis. Costakis werd in 1913 uit Griekse ouders in Moskou geboren, waar hij jarenlang werkte als chauffeur voor de Griekse en later de Canadese ambassade. Regelmatig reed hij een diplomaat of buitenlandse bezoeker naar een antiekwinkel of atelier, en raakte zo ook zelf in de ban van de kunst. Hij begon met ikonen en oude Hollandse landschapjes die, hoe vreemd dit ook mag klinken, juist in de sovjetjaren relatief makkelijk vindbaar én betaalbaar waren.
 
In 1946 werd hij gegrepen door een abstract werk van de kunstenares Olga Rozanova (1886-1918) en begon hij zich te verdiepen in de suprematistische en constructivistische kunst uit het begin van de twintigste eeuw. Hij ging op zoek naar de kunstenaars van deze generatie, vond hen, hun vrienden of hun nabestaanden en kocht hun werk. Het lag vaak al jarenlang verstopt achter in de kast of onder het bed, aangezien deze kunst begin jaren dertig in ongenade was gevallen. Sommige van deze kunstbewaarders zaten er behoorlijk mee in hun maag. 
 
In de loop van de jaren zestig drongen er geruchten tot het Westen door over die bijzonder collectie van ‘die Griek’ in Moskou, en werd Costakis’ appartement steeds vaker bezocht. Naar verluidt vond de geheime dienst een dergelijk centraal verzamelpunt van buitenlandse kunstliefhebbers en -verzamelaars bijzonder handig en hielden ze de gasten goed in de gaten. Nadat er enkele malen bij Costakis was ingebroken, tientallen tekeningen waren gestolen en vervolgens ook zijn datsja, waar een deel van zijn collectie stond, in vlammen op ging, besloot Costakis de Sovjet-Unie te verlaten.
 
Hij vertrok in 1977 met achterlating van een deel van zijn avantgardecollectie van 144 schilderijen en 656 tekeningen, plus zijn ikonencollectie. ‘Deze kunst behoort aan Rusland,’ zei Costakis, hoewel de schenking niet geheel spontaan was. Geen enkel doek uit zijn collectie zou immers officieel het land hebben mogen verlaten: alles was van voor 1945. En al was kunst als uit Costakis’ collectie toen in geen enkel sovjetmuseum te zien, de Russen waren zich beslist bewust van hun ‘museaal belang’. De schenking was dus tevens een soort uitreisvisum. De rest van de Costakis’ collectie – 1275 schilderijen, tekeningen, keramiek en ‘constructies’ – is in 2000 aangekocht door het Staatsmuseum voor Hedendaagse Kunst in Thessaloniki.  
 
De Sovjet-Unie bestaat niet meer en de oude staatskunst, het socialistisch realisme, wordt des te enthousiaster verzameld en het vakmanschap van de makers luid geprezen. In de Verenigde Staten hebben al twee particuliere verzamelaars hun collectie Russische realisten in musea ondergebracht. Russische kunst is een normaal onderdeel van de westerse kunstmarkt geworden. En de prijzen?
 
‘Ook vandaag kun je nog een prachtige collectie aanleggen voor weinig geld,’ vindt Dina Vierny (Odessa 1919). Vierny opende in 1947 een galerie in Parijs waar ze onder andere Serge Poliakoff (1900-1969) en later ook Kabakov en Boelatov exposeerde. ‘Ik had nooit geld, maar ik ben altijd afgegaan op mijn eigen gevoel, niet dat van anderen.’ Aleksandr Melamid, de sotsart-kunstenaar die in de jaren zeventig naar de Verenigde Staten emigreerde, zegt daarentegen: ‘We leven in een kapitalistische maatschappij, waar je kunst alleen kunt beoordelen op de prijs. Je zou dus kunnen zeggen dat een schilderij van tien miljoen dollar beter is dan een schilderij van drie miljoen.’
 
De naam van de maker kan een hoop aan die prijs veranderen. Enkele jaren geleden bracht het Haags Gemeentemuseum een stilleven met bloemen van ene I. Mackoff voor verkoop naar Veilinghuis Sotheby’s, waar het werd ingezet op duizend gulden. Verbaasd door de grote belangstelling tijdens de kijkdagen bekeek het veilinghuis het werk beter en ontdekte dat het van Ilja Ivanovitsj Masjkov (1881-1944) was. Wim van Krimpen, directeur van het Haags Gemeentemuseum, bleef het ‘een heel slecht schilderij’ vinden, anderen vonden het bij nader inzien ‘behoorlijk goed’ en ‘interessant’. In ieder geval bracht het ten slotte meer dan drie miljoen euro op…
 
Vorig jaar brak er in Rusland een relletje uit toen het werk Het tijdperk van Genade van de Blue Nose groep het land niet mocht verlaten voor een expositie in Parijs. De levensgrote foto van twee kussende politieagenten in een besneeuwd berkenbos werd door de minister van cultuur Sokolov ‘pornografisch’ bevonden. De prijs van het kunstwerk ging onmiddelijk met flinke vaart omhoog.