Dit artikel verscheen in de zogenaamde verzamelaarsspecial van Prospekt, in januari 2008. 
 
Van privéverzameling tot museumcollectie   
 
Van Catherina de Grote tot de superrijken van dit moment, ook Russen hebben door de eeuwen heen kunstverzamelingen aangelegd. Hoe de belangrijkste Russische kunstcollecties tot stand gekomen zijn, hoe ze de twintigste eeuw doorkwamen en hoe tegenwoordig nieuwe collecties gevormd worden.  
 
In de Royal Academy of Arts in Londen brak eind 2007 flinke paniek uit. Daar moest op 26 januari 2008 de expositie From Russia openen, en Rusland dreigde opeens de expositie niet te sturen. From Russia, die op dat moment nog in Düsseldorf te zien was, omvatte ruim 120 Franse en Russische schilderijen uit de periode 1870-1925 uit de collecties van Ruslands grootste en belangrijkste musea: het Poesjkinmuseum en de Tretjakovgalerij in Moskou, en het Russisch Museum en de Hermitage in Sint Petersburg.
 
Het probleem zat in dertien werken die oorspronkelijk hadden toebehoord aan de Russische verzamelaar Ivan Morozov (1871-1921), en 23 die ooit deel uitmaakten van de collectie van Sergej Sjtsjoekin (1854-1936). Beide verzamelingen werden kort na de Russische revolutie genationaliseerd door de jonge sovjetstaat. André-Marc Delocque-Fourcaud, kleinzoon van Sjtsjoekin, en Pierre Konowaloff, achterkleinzoon van Morozov, vechten nu deze confiscatie aan. Delocque-Fourcaud nam het stokje over van zijn moeder, Irina Sjtsjoekina (1915-1994). Konowaloff hoorde pas na de dood van zijn vader in 2002 over de collectie Morozov. ‘Daar werd bij hem thuis niet over gesproken,’ zegt zijn echtgenote. ‘Het onderwerp was te pijnlijk.’
 
Ook sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft Rusland nog geen haarbreed toegegeven. ‘De nationalisatie vond plaats op basis van officieel erkende decreten uit die periode. We moeten niet blijven terugkomen op een herziening daarvan,’ verklaarde Michail Sjvydkoj, directeur van Roskoeltoera (Federaal Agentschap voor Cultuur en Film), begin januari aan de pers. ‘De collectie is al lang geleden genationaliseerd en behoort toe aan de Russische staat,’ zo vond ook Michail Piotrovski, directeur van de Hermitage.
 
De enige mogelijkheid die de erven van Morozov en Sjtsjoekin hebben, is beslag te laten leggen op de werken als deze Rusland verlaten om zo in een ander land dan Rusland de confiscatie aan te vechten. Dat ze dit niet deden toen de werken in Düsseldorf waren komt omdat de Duitse wet een dergelijke beslaglegging niet toestaat. In Engeland bestond die mogelijkheid wel. Vandaar dat de pers hierover steeds wilder ging speculeren, al hadden de erven nog geen enkele juridische stap gezet. Door een Britse spoedwet kon er uiteindelijk geen beslag worden gelegd op enig werk uit de Russische tentoonstelling, en vond de expositie alsnog doorgang.
Delocque-Fourcaud en Konowaloff zijn beiden van mening dat de werken van hun grootvader en overgrootvader in Rusland horen, dat is het probleem niet. Konowaloff wil er wel een financiële vergoeding voor; Delocque-Fourcaud hoeft zelfs dat niet. Sterker nog, hij heeft in 2004 de zes laatste schilderijen die zijn grootvader – destijds al in Frankrijk – aankocht aan het Moskouse Poesjkinmuseum geschonken. Hij vindt dat het testament van zijn grootvader gerespecteerd moet worden en dat diens verzameling weer als één geheel, in één museum, getoond moet worden, en gaf zelf het goede voorbeeld.
 
Beide nazaten vinden echter dat ze recht hebben op minstens een deel van de inkomsten die de musea genereren bij het uitlenen van de werken aan musea in het Westen, en de merchandising. Veel schilderijen worden tenslotte gereproduceerd als poster of ansichtkaart, of afgebeeld op een stropdas, beker of placemat. ‘Dat die werken in de sovjetjaren aan het volk toebehoorden, daar konden we ons nog wel een beetje in vinden,’ zegt Christine Delocque-Fourcaud namens haar echtgenoot. ‘Het land was gesloten, de werken gingen nergens heen en het volk had er daadwerkelijk plezier van. Sjtsjoekin stelde zijn huis open voor publiek, en voor de revolutie uitbrak was hij oprecht van plan zijn collectie aan de stad Moskou na te laten. Maar dat onze kunst big business is geworden, en de musea er handen vol geld aan verdienen, dat vinden we niet juist. Dan willen we terug wat ons op onwettige wijze is ontnomen.’  
 
Hofkunst
Aanvankelijk was kunstverzamelen een zaak van de tsaren en het hof. Het begon voorzichtig in de zeventiende eeuw, om onder Catherina de Grote gigantische hoogtes te bereiken. Onder haar bestuur (1762-1796) werd de collectie van de Hermitage uitgebreid met zo’n vierduizend schilderijen en tienduizenden tekeningen, prenten en gravures. De tsarina kocht geen kunstwerken per stuk, maar per collectie. En omdat ze niet zomaar even op reis kon om persoonlijk op een veiling een bod uit te brengen en ze dit liever ook niet aan haar medewerkers overliet, kocht ze regelmatig een veiling in zijn geheel op en liet deze naar Sint Petersburg vervoeren, om daar alles op haar gemak te bekijken. De werken die haar niet aanspraken verkocht ze vervolgens weer, of ze gaf ze weg.
 
Haar verzameldrift werkte aanstekelijk: eind achttiende eeuw waren er in Sint Petersburg meer dan vijftig belangrijke privé-collecties te vinden, waarvan sommige namen ons ook nu nog zeer bekend in de oren klinken. De Stroganovs bijvoorbeeld, waar de liefde voor het verzamelen van de ene generatie op de andere overging. Na ruim honderd jaar verzamelen hadden de Stroganovs een gigantische rijke én brede collectie gevormd, die in 1917 genationaliseerd werd en voor een groot deel in de Hermitage terechtkwam. De laatste nu nog levende Stroganov, barones Hélène de Ludinghausen (Parijs 1942) richtte in 1992 de Stroganoff Foundation op. Voor een claim van haar hoeft de Hermitage niet bang te zijn. ‘Ik zou het toch niet krijgen,’ zei de barones enige jaren geleden in een interview, ‘en ik heb geen kinderen. Als ik kinderen had gehad was het misschien anders geweest. Nu is de stichting mijn leven, een manier om mijn familie te laten voortleven. Als het allemaal van mij was geweest zou ik het met plezier aan Rusland nalaten.’
 
Ook de Joesoepovs – decennialang de rijkste familie van heel tsaristisch Rusland – verzamelden over meerdere generaties. Feliks Joesoepov, vooral bekend geworden vanwege de moord op Raspoetin, ontvluchtte Rusland in 1917 met medeneming van twee Rembrandts. De 45.295 overige schilderijen en andere voorwerpen werden genationaliseerd en verdeeld tussen de Hermitage en het Russisch Museum in Sint Petersburg, het Poesjkinmuseum in Moskou en de musea van Omsk en Vladivostok. Een deel van de collectie is inmiddels weer te zien in het voormalige familiepaleis aan de Petersburgse Fontanka en in hun oude buitenverblijf in Archangelskoje, nabij Moskou. De meegenomen Rembrandts verkocht Joesoepov aan een Amerikaanse verzamelaar, met als voorbehoud dat de koop ongedaan zou worden gemaakt als de Romanovs zouden terugkeren en alles in Rusland weer zou worden zoals het was. Het mocht niet zo zijn. De Rembrandts hangen nu in de National Gallery in Washington.
 
Overigens zijn Ruslands musea niet alléén dankzij nationalisaties en confiscaties gevuld. Veel verzamelaars lieten na hun dood hun collectie na aan de Russische staat, hun stad, of een speciaal museum. Zo liet Nikolaj Koesjelov-Bezborodko (1834-1862) zijn collectie (400 schilderijen en 29 beelden) na aan de Petersburgse Academie voor Schone Kunsten. Daarbij liet hij in zijn testament opnemen dat dit was voor ‘de samenstelling van een openbare galerij, continu open voor kunstenaars en publiek, toegankelijk zonder kaartjes en zonder beperkingen op het gebied van kledij’. Die laatste toevoeging was belangrijk, omdat in die tijd de Hermitage bijvoorbeeld alleen toegankelijk was voor militairen in uniform, burgers uit de ambtenarij, buitenlanders in jacquet en hogere burgers in lange jassen, en dat alles alleen op vertoon van een kaartje dat was uitgegeven door het kantoor van het hof. De Koesjelov-galerij van de Academie der Kunsten werd in 1922 opgeheven; een deel van de werken ging naar de Hermitage; andere werken werden alsnog verkocht.  
 
Middenklasse
In de negentiende eeuw begonnen ook de rijkere vertegenwoordigers uit de middenklasse met verzamelen. Daartoe behoorden eerdergenoemde Morozov en Sjtsjoekin, maar ook bijvoorbeeld de gebroeders Tretjakov, waarvan Pavel zich toelegde op Russische kunst, en Sergej op negentiende-eeuwse westerse kunst. Sergej schonk zijn collectie aan de stad Moskou. Pavel opende zijn eigen schilderijengalerij. Veel van deze verzamelaars woonden in Moskou en voelden zich geroepen het daar in 1862 geopende Roemjantsev Museum te verrijken met schenkingen. Verzamelen leek, in ieder geval in de achttiende en de negentiende eeuw, bijna een genetische kwestie. Het ging van generatie op generatie en had meestal het gehele gezin in zijn greep, al kozen de familieleden meestal wel ieder een andere richting, zoals te zien is bij de Tretjakovs, maar bijvoorbeeld ook bij de Sjtsjoekins. Pjotr Sjtsjoekin ging voor oud-Russische kunst; een collectie die hij onderbracht in een zelf bekostigd museum dat hij bij zijn dood (nog voor de revolutie) aan de stad Moskou naliet. Zijn broer Dmitri Sjtsjoekin concentreerde zich op met name oude Franse en Hollandse meesters.
 
Sergej Sjtsjoekin was het modernst van de familie, bijna revolutionair met zijn voorliefde voor toen nog nauwelijks bekende Franse kunstenaars. Het maakt hem tot de opvallendste verzamelaar van zijn tijd; niemand anders heeft zoveel Picasso’s (51!) gekocht, of Matisse (37). Daarnaast had Sergej doeken van Degas, Derain, Gauguin, Monet, Cézanne, Renoir en Van Gogh; in totaal zo’n 250 werken. Op zondagochtenden was Sjtsjoekins salon geopend voor publiek en vergaapten jonge Moskouse kunstenaars – onder wie Malevitsj en Larionov – zich aan de nieuwe kunst uit Parijs.
 
Ivan Morozov begon met een collectie van hedendaagse Russische kunstenaars en ging zich toen pas geleidelijk op Franse kunst richten. Hij was dol op het werk van Cézanne en Gauguin, maar kocht in tegenstelling tot Sjtsjoekin meer werk van verschillende kunstenaars, om zo tot een breder totaaloverzicht te komen.
 
Verzamelaars – adelijk en niet-adelijk – met de minste financiële middelen, kochten in het algemeen hedendaagse buitenlandse kunst, die nu eenmaal betaalbaarder was dan oude meesters. Musea vonden het te onzeker om werk van een nog levende kunstenaar te kopen; je wist tenslotte nog niet of het wat zou worden en of het een blijvertje was. Als de minder draagkrachtige verzamelaars niet hadden bestaan, verzamelaars die in de eerste plaats kochten uit passie, dan zouden de collecties van Ruslands musea nu veel eenzijdiger zijn geweest.  
 
Nationalisatie
In de chaos van de revolutie brachten veel verzamelaars hun collectie naar de relatieve veiligheid van een museum. Natuurlijk in de verwachting dat ze hun eigendommen na verloop van tijd, als alles weer rustig was, zouden kunnen ophalen. Eigenlijk was iedereen ervan overtuigd dat alles op een gegeven moment weer bij het oude zou zijn; zelfs eenmaal in emigratie verwachtte men binnen niet al te lange tijd weer ‘naar huis’ te kunnen terugkeren.            
 
De Russische museumcollecties groeiden ondertussen met een enorme snelheid, niet zozeer uit museale hebzucht, maar vooral uit een oprecht verlangen kunstwerken te beschermen tegen diefstal, plundering of vernieling. Verschillende commissies voor de bescherming van kunstschatten zagen direct na de revolutie het licht. Niet alleen losse kunstwerken werden ondergebracht in musea, veel huizen en paleizen werden als geheel in een museum ondergebracht door deze tot een tak van het museum te verklaren. De eigenaren konden in een deel van hun huis blijven wonen en waren zo niet alleen beschermd tegen diefstal en vernieling, maar ook verzekerd van brandstof en voedsel.
 
De leuze ‘Kunst behoort aan het Volk’ en het verlangen het volk cultureel te onderrichten waren in die jaren in het algemeen al even oprecht, en zo werden de huizen opengesteld voor het nieuwe publiek. Aldus werden huis en collectie van Sergej Sjtsjoekin het Eerste Museum van Hedendaagse Westerse Kunst, en die van Ivan Morozov het Tweede. Ivan Morozov gidste er nog enige tijd bezoekers rond, tot hij in het voorjaar Rusland verliet.
 
Al gauw werd de ene na de andere collectie genationaliseerd, niet met één algemeen decreet, maar stukje bij beetje, per collectie, per decreet. Om het volk in kunst en cultuur te onderrichten werden er Proletarische Musea geopend, die in communistische traditie alleen een nummer kregen. Om niet geheel duidelijke redenen werd er ongelooflijk veel heen en weer geschoven met delen van deze ‘proletarische’ collecties, waardoor er in deze toch al chaotische jaren nog meer informatie over de herkomst, en soms ook over de makers van de kunstwerken is zoekgeraakt.
 
Nog in de jaren twintig werden al deze musea weer opgeheven en werd de kunst over honderden musea in de gehele Sovjet-Unie verspreid, waarbij de topstukken in de topmusea bleven. Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven zijn er, zeker in de jaren dertig, ook heel wat werken verkocht aan verzamelaars en musea in het Westen. Zo gingen de privé-verzamelingen op in allerlei museumcollecties en verdween er steeds meer informatie over de herkomst en de laatste eigenaren. Musea breidden hun collecties nog uitsluitend uit met socialistisch realistische kunst uit eigen land, terwijl de Russische én Franse avantgarde voor een paar decennia in de opslag verdween. Wie nog een privé-collectie had hield zich gedeisd.
 
Tegenwoordig hebben veel provinciale musea grote moeite hun gebouwen en collecties te onderhouden, laat staan werken aan te schaffen. Onlangs kwam aan het licht dat er in de hele Russische Federatie vijftigduizend museumstukken zoek zijn, wat gedeeltelijk te wijten is aan de vaak uiterst slechte documentatie, maar ook aan de povere beveiliging. Vijfhonderd van de in totaal tweeduizend Russische musea, hebben geen enkel beveiligingssysteem.
 
Staatsmusea kopen nog steeds geen nieuwe namen aan. De Tretjakovgalerij ontsloeg deze zomer zelfs haar curator ‘nieuwe tendenzen’, Andrej Jerofejev, omdat men hem veel te ver vond gaan in zijn zoektochten naar wat nieuws. Nu zijn het de rijke zakenlieden die een eigen galerij, of een eigen museum openen. En de rijke, heel rijke zakenlieden die kunst aanschaffen met de bedoeling die aan een museum te schenken. Zoals de Russische staalgigant Alisjer Oesmanov, die enkele maanden geleden de hele collectie van de cellist Mtislav Rostropovitsj en zijn echtgenote Galina Visjnevskaja opkocht, door aan Sotheby’s beduidend meer te bieden dan de 29 miljoen euro waarop het veilinghuis de verzameling had geschat. Het was een Russische kunstverzameling, verklaarde hij, die in Rusland thuishoorde, en aan Rusland toekwam. Eigenlijk zoiets als Sergej Sjtsjoekin nog in 1930 aan een vriend schreef: ‘Ik heb niet alleen voor mijzelf verzameld, sterker nog, het was ook voor mijn land, mijn volk. Wat er ook op Ruslands bodem gebeurt, mijn verzameling hoort dáár!’    
 
Voor dit artikel werd onder andere gebruik gemaakt van de uitgave Verzamelaars in Sint Petersburg van Hermitage Amsterdam 2006, van informatie verstrekt door Lia Gorter van de Stichting Cultuur Iventarisatie uit Amsterdam, en van de door deze stichting verzorgde uitgave Dutch and Flemisch Art in Russia (Codart & SCI 2005). De SCI stelt zich ten doel om Nederlands en Vlaams cultureel erfgoed in onder andere de voormalige Sovjet-Unie te inventariseren en documenteren. Zie ook www.culturalinventory.nl. Voor een overzicht van de volledige collecties van Morozov en Sjtsjoekin, zie www.morozov-shchukin.com. De familie Konowaloff biedt er tevens de mogelijkheid eigenaar te worden van twee Picasso’s. Nou ja, van de rechten op twee Picasso’s. Het bezit is dus voorlopig vooral virtueel.